Willem
van Strijen
, * ±1255
, † ±1294.
Zoon van
Willem van Strijen
en
Aleid
.
Afb. Tekening van een zegel waar Willem van Strijen in 1275 mee zegelde
Geb. ca. 1255-58.
Heer Willem van Strijen wordt in de periode 1273-93 vermeld. In 1273 als heer van Strijen, in 1283 als ridder.
De jonge Willem wordt in 1276 vermeld als ,domicellus de Striene” en sedert 1283 als ridder.
De heerlijkheid van Strijen werd in het noorden begrensd door de Maas, in het westen door den destijds zeer machtigen stroom de Striene, in het zuiden door de Mark.
"De laatste heer van Strijen, dien wij tot 6 Juni 1293 in de oorkonden ontmoeten, heer Willem, was de schoonvader van den heer van Putten, Nicolaes, en dus vader van Aleyd en Hadewy. Deze laatste noemt buitendien in een oorkonde van 25 November 1294 Floris van Borselan haar oom".
Nikolaas, heer van Putten, erkent op 13 april 1273 dat ‘Heinkens moer’ aan Willem, heer van
Strijen, toebehoort, en wel op dezelfde voorwaarden als deze ‘Berwouds moer’ bezit
Deze Willem van Strijn schijnt een lastig heer te zijn geweest, betwistte in 1276-1277 Heiligenberg aan Ter Does, waarbij graaf Floris V tusschenbeide moest komen en uitspraak doen, maakte het de abdij van St. Bernard bij Antwerpen moeilijk, vorderde, ten onrechte, brood- en wijngeld van de poorters van Dordrecht en bouwde onder Oosterhout het huis te Strijen, zodanig dat de burcht zelf in Brabant en de voorburcht in Holland stond.
Op 11 December 1290 treedt heer Herbaren van der Leede op als getuige voor Willem, heer van Strijen, wanneer deze belooft den Graaf van Holland getrouwelijk te zullen dienen.
Willem IV van Strijen kreeg van de graaf de toezegging dat na zijn dood Strijen zal vererven op zijn dochter. Dit gebeurde in 1294.
Het geslacht Van Strijen en daaruit gesproten families voeren als wapen:
1. Strijen: in goud - drie rode schuinkruisjes.
2. Almonde: in goud - drie rode schuinkruisjes.
3. Zevenbergen: in zilver - drie rode schuinkruisjes.
4. Wieldrecht: in blauw - drie gouden schuinkruisjes.
N.B. Schewennicke noemt een Van Randerath, overl. in 1290, als vrouw van deze Willem van Strijen.
Overl. tussen 5 juni 1293 en 25 nov. 1294.
Op 25 November 1294 was Willem reeds overleden, wanneer zijn goederen tusschen zijn beide dochters Aleyd, dan reeds echtgenoote van den heer van Putten, en Hadewij, in 1300 gehuwd met heer Raes van Gavere, heer van Liedekerke en van Breda, gedeeld werden
×
? ±1280
NN. ("Oda") van Borsele
, † <1295.
Kinderen:
-
Willem van der Weede
, * ±1280
, † >11-1321 .
×
Lijsbette
.
1 kind(eren)
-
Aleidis (Aleid) van Strijen
, † 26-6-1316 , [] Geervliet .
×
<6-1293
Nicolaas III van Putten
, † 27-10-1311, [] Geervliet .
3 kind(eren)
-
Hadewich (Hadewijn) van Strijen
, † >9-1341 .
Hadewich van Putten, vrouwe van Rozendaal, vermeld in 1300.
De tiende aan de korte zijde van de Eem, gepacht van t. Pieter, en de tiende boven Eemdam tussen Blokhalsbrug en Eemkerk bij Made en Drimmelen werd beleend op 25-11-1294: Toegewezen aan Hadewig, zuster van Aleid van Strijen, gehuwd met Nikolaas van Putten, voor haar erfdeel van Willem van Strijen, haar vader, en diens vrouw op 200 pond lands en afstand van de vrouwe van Randerode, haar grootmoeder.
Hadewig, dochter van wijlen heer Willem van Strijen, verklaarde op 25 november 1294 dat haar zwager Nicolaas van Putten haar in het bezit heeft gesteld van 200 pond oud Hollands aan jaarlijkse renten, waarbij als getuige o.a. heer Arnoud van Arkel optrad.
Raas van Gavere, heer van Liedekerke en Breda, geeft op 23 juni 1300 (met instemming van zijn oudste zoon Raas, heer van Boelare, en ten overstaan van Jan van Liedekerke,
zijn broer, Godfried van Bergen, ridder, drossaard Zegebert van Ulvenhout, Wouter van den Houte en Baye van Breda, zijn leenmannen), aan zijn tweede echtgenote Hadewig, dochter van Willem, heer van Strijen, als weduwe goed inkomsten en goederen uit Oosterhout, Roosendaal, Nispen en Wouw met de boeten tot 3 pond aldaar, en een rente van 50 pond uit (Oud) Gastel. Bij haar kinderloos overlijden keren deze goederen en rechten terug naar de kinderen uit zijn eerste huwelijk, anders vervallen zij naar haar dood aan haar kinderen.
Op 9 oktober 1341 schrijven Guy van Vlaanderen en Beatrix van Putten en Strijen aan de deken en het kapittel van St. Pieter dat hun tante, vrouwe van Rozendaal, een deel van het door hun gepachte goed heeft overgenomen en dus gehouden is haar deel van de pachtsom te betalen.
Overl. òf vóór 17-11-1331 (JWZondervan), òf ná sep. 1341 (BdeKeijzer).
×
1300
Raas van Gavere
, † <1309.
Zoon van
Raas van Gavere
en
Marguerite d’ Enghien
.
Raso VIII/XII van Gavre, heer van Liedekerke, heer van Breda.
Deze Raas van Gavre-Liedekerke was wsl. al eerder getrouwd gewest. In 1286 vermeld als ridder en vermeld tot in 1306.
Raas is een zoon zijn van een eerdere Raas van Gaveren en diens vrouw Margaretha van Edingen/Enghien, dochter van Zeger van Edingen/Enghien en Aliasa van Zotteghem. Zeger’s moeder was een zus van Burchard van Avesnes en had hoogadellijke voorouders.
Raas zou een kleinzoon zijn van een nog eerdere Raas van Gaveren en Sophie, dochter van Godevaert de Scoten.
Raas van Gavere, heer van Liedekerke en Breda, geeft op 23 juni 1300 met instemming van zijn oudste zoon Raas, heer van Boelare, en ten overstaan van Jan van Liedekerke, zijn broer, Godfried van Bergen, ridder, drossaard Zegebert van Ulvenhout, Wouter van den Houte en Baye van Breda, zijn leenmannen, aan zijn tweede echtgenote Hadewig, dochter van Willem, heer van Strijen, als weduwe goed inkomsten en goederen uit Oosterhout, Roosendaal, Nispen en Wouw met de boeten tot 3 pond aldaar, en een rente van 50 pond uit (Oud) Gastel. Bij haar kinderloos overlijden keren deze goederen en rechten terug naar de kinderen uit zijn eerste huwelijk, anders vervallen zij naar haar dood aan haar kinderen.
Op 22 juli 1300 geeft Raas van Gavere, heer van Liedekerke en Breda, als huwelijksgift aan zijn tweede vrouw Hadewig, dochter van Willem, heer van Strijen, 5000 pond zwarte Tournois, waarvoor hij als onderpand Oosterhout aanwijst, dat hij van zijn broer Gerard van Liedekerke heeft verkregen, alsmede Roosendaal, en zijn goederen te Nispen en Wouw. Bij zijn overlijden zal Hadewig bovengenoemde bezittingen met alle toebehoren zonder mindering van de inkomsten daarvan op de hoofdsom bezitten, totdat het bedrag gekweten is. Bij haar kinderloos overlijden vóór de aflossing, keren deze goederen terug naar de kinderen uit Raas’ eerste huwelijk; anders vervallen zij aan haar kinderen op dezelfde voorwaarden. Op verzoek bezegelen o.a. Floris, heer van Borsele, Jan van Liedekerke, heer van Eichem, zijn broer, Herbert van Drongelen, ridders, Nicolaas, heer van Putten, Filips van Liedekerke, zijn zoon, en Willem van Dubbelmonde, zijn leenmannen, mede deze oorkonde.
Overl. òf in de periode van 26 apr. 1300 tot 27 mei 1301, òf in de periode 1306-’08, òf op 23 nov. wsl. in 1307.
- ?
Jan van Almonde
, † >4-1326 .
Ook Jan van Almonde, vermeld 1307-’26, was wsl. een bastaard van Willem van Strijen. Hij was heer van Pernis.
Aleid van Strijen noemde op 19 maart 1416 Jan van Almonde ’haren broer’.
Overl. tussen 26 mei 1326 en 9 aug. 1343.
×
Aechte Hugendr
.
Jan trouwde Agathe (Aechte) Hugendr., vermeld in 1307, dochter van Hugo Everockerssone.
2 kind(eren)