NN.
("Oda")
van Borsele
, † <1295.
Dochter van
Peter van Borsele
(?)
en
NN. ("Hadewich") van Cruijningen
(?)
.
Volgens Schwennicke/Isenburg en B. de Keijzer was de vrouw van Willem van Strijen een dochter van Peter, heer van Borsselen en Goes, die vóór 1288 met Willem van Strijen is getrouwd. Haar dochter Hadewy noemde in 1294 Floris van Borselen haar oom.
Haar voornaam is níet zeker. Eén van haar dochters heet Hadewich en zou vernoemd kunnen zijn naar Hadewich van Cruijningen. Hadewich van Cruijningen zou weer een dochter zijn van Godfried van Cruijningen en Oda van Pumbeke, waar de vrouw van Willem van Strijen vernoemd naar zou kunnen zijn, aangezien hun dochter Aleidis ook weer een dochter Oda had.
In het jaar 1326 werd het noodig geoordeeld een nadere grensafbakening tusschan Holland en Brabant vast te leggen en talrijke enquêtes werden daartoe ingasteld. Een getuigenis, dat van heer Jan van Cruiningan, is van belang; hij vertelt dat "heren Florans van Borselan ende ic quamen ridan uta Zeeland anda wilden wesen in dia Haghe, tote dan Grave Florens . . . . ende dat hair Florens ende ic reden tote Oisterhouta an, tota den hare van Striana, die doe ter tyt wilen haren Florens suster hadda. . . . enda dit was ommetrant dia tyd, dat dia wich te Woaringhan (d.i. 1288) was, luttele are, jof latere”.
B. de Keijzer noemt haar "Aleida" en zou zij zijn hertrouwd met een Van Randerode.
×
? ±1280
Willem van Strijen
, * ±1255
, † ±1294.
Kinderen:
- ?
Aleidis (Aleid) van Strijen
, † 26-6-1316 , [] Geervliet .
×
<6-1293
Nicolaas III van Putten
, † 27-10-1311, [] Geervliet .
3 kind(eren)
- ?
Hadewich (Hadewijn) van Strijen
, † >9-1341 .
Hadewich van Putten, vrouwe van Rozendaal, vermeld in 1300.
De tiende aan de korte zijde van de Eem, gepacht van t. Pieter, en de tiende boven Eemdam tussen Blokhalsbrug en Eemkerk bij Made en Drimmelen werd beleend op 25-11-1294: Toegewezen aan Hadewig, zuster van Aleid van Strijen, gehuwd met Nikolaas van Putten, voor haar erfdeel van Willem van Strijen, haar vader, en diens vrouw op 200 pond lands en afstand van de vrouwe van Randerode, haar grootmoeder.
Hadewig, dochter van wijlen heer Willem van Strijen, verklaarde op 25 november 1294 dat haar zwager Nicolaas van Putten haar in het bezit heeft gesteld van 200 pond oud Hollands aan jaarlijkse renten, waarbij als getuige o.a. heer Arnoud van Arkel optrad.
Raas van Gavere, heer van Liedekerke en Breda, geeft op 23 juni 1300 (met instemming van zijn oudste zoon Raas, heer van Boelare, en ten overstaan van Jan van Liedekerke,
zijn broer, Godfried van Bergen, ridder, drossaard Zegebert van Ulvenhout, Wouter van den Houte en Baye van Breda, zijn leenmannen), aan zijn tweede echtgenote Hadewig, dochter van Willem, heer van Strijen, als weduwe goed inkomsten en goederen uit Oosterhout, Roosendaal, Nispen en Wouw met de boeten tot 3 pond aldaar, en een rente van 50 pond uit (Oud) Gastel. Bij haar kinderloos overlijden keren deze goederen en rechten terug naar de kinderen uit zijn eerste huwelijk, anders vervallen zij naar haar dood aan haar kinderen.
Op 9 oktober 1341 schrijven Guy van Vlaanderen en Beatrix van Putten en Strijen aan de deken en het kapittel van St. Pieter dat hun tante, vrouwe van Rozendaal, een deel van het door hun gepachte goed heeft overgenomen en dus gehouden is haar deel van de pachtsom te betalen.
Overl. òf vóór 17-11-1331 (JWZondervan), òf ná sep. 1341 (BdeKeijzer).
×
1300
Raas van Gavere
, † <1309.
Zoon van
Raas van Gavere
en
Marguerite d’ Enghien
.
Raso VIII/XII van Gavre, heer van Liedekerke, heer van Breda.
Deze Raas van Gavre-Liedekerke was wsl. al eerder getrouwd gewest. In 1286 vermeld als ridder en vermeld tot in 1306.
Raas is een zoon zijn van een eerdere Raas van Gaveren en diens vrouw Margaretha van Edingen/Enghien, dochter van Zeger van Edingen/Enghien en Aliasa van Zotteghem. Zeger’s moeder was een zus van Burchard van Avesnes en had hoogadellijke voorouders.
Raas zou een kleinzoon zijn van een nog eerdere Raas van Gaveren en Sophie, dochter van Godevaert de Scoten.
Raas van Gavere, heer van Liedekerke en Breda, geeft op 23 juni 1300 met instemming van zijn oudste zoon Raas, heer van Boelare, en ten overstaan van Jan van Liedekerke, zijn broer, Godfried van Bergen, ridder, drossaard Zegebert van Ulvenhout, Wouter van den Houte en Baye van Breda, zijn leenmannen, aan zijn tweede echtgenote Hadewig, dochter van Willem, heer van Strijen, als weduwe goed inkomsten en goederen uit Oosterhout, Roosendaal, Nispen en Wouw met de boeten tot 3 pond aldaar, en een rente van 50 pond uit (Oud) Gastel. Bij haar kinderloos overlijden keren deze goederen en rechten terug naar de kinderen uit zijn eerste huwelijk, anders vervallen zij naar haar dood aan haar kinderen.
Op 22 juli 1300 geeft Raas van Gavere, heer van Liedekerke en Breda, als huwelijksgift aan zijn tweede vrouw Hadewig, dochter van Willem, heer van Strijen, 5000 pond zwarte Tournois, waarvoor hij als onderpand Oosterhout aanwijst, dat hij van zijn broer Gerard van Liedekerke heeft verkregen, alsmede Roosendaal, en zijn goederen te Nispen en Wouw. Bij zijn overlijden zal Hadewig bovengenoemde bezittingen met alle toebehoren zonder mindering van de inkomsten daarvan op de hoofdsom bezitten, totdat het bedrag gekweten is. Bij haar kinderloos overlijden vóór de aflossing, keren deze goederen terug naar de kinderen uit Raas’ eerste huwelijk; anders vervallen zij aan haar kinderen op dezelfde voorwaarden. Op verzoek bezegelen o.a. Floris, heer van Borsele, Jan van Liedekerke, heer van Eichem, zijn broer, Herbert van Drongelen, ridders, Nicolaas, heer van Putten, Filips van Liedekerke, zijn zoon, en Willem van Dubbelmonde, zijn leenmannen, mede deze oorkonde.
Overl. òf in de periode van 26 apr. 1300 tot 27 mei 1301, òf in de periode 1306-’08, òf op 23 nov. wsl. in 1307.