Nicolaas II
van Putten
, † ±3-1276.
Zoon van
Nicolaas I van Putten
.
Afb. Zegel van Nicolaas II van Putten
Nicolaas II van Putten wordt vermeld 1268-75.
Op 17 februari 1272, was Nicolaas getuige van graaf Floris V.
Op 13 april 1273 maakte hij een grensregeling met de heer van Strijen en stond deze een tegenover Pendrecht gelegen veen, Heinckensmoer, af.
Zijn vader is Nicolaas I van Putten, die een halfbroer zou zijn van Nicolaas Persijn van Haarlem. Hun vader is dan Johannes ("Jan Persijn") van Putten.
Overl. tussen 10 februari 1276 en 19 april 1276, toen graaf Floris V de voogdij regelde van de kinderen van Nicolaas II, dus in de tussentijd zal hij zijn gestorven.
×
Beatrix (van Naaltwijck)
.
c
NN.
.
Kinderen:
-
Nicolaas III van Putten
, † 27-10-1311 , [] Geervliet .
×
<6-1293
Aleidis (Aleid) van Strijen
, † 26-6-1316, [] Geervliet .
3 kind(eren)
- ?
Ermengard (Ermgard)
, † <4-1326 .
×
Dirk van der Doortoge
, † <2-1306.
×
±1307
Willem van Leijden
, † ±1332.
Zoon van
Hendrik van Cuijck
en
Halewijn (Halewine) van Egmond
.
Willem van Leyden is tussen 28 jan. 1306 en 16 jun. 1309 getrouwd met vrouw Ermgard, weduwe van heer Dirk van der Doortoge.
Willem van Leyden was jongere zoon van burggraaf Hendrik van Leyden.
Willem was gehuwd met de vrouwe van der Doortoge. De Doortoge’s stammen af van een jongere zoon van het geslacht Brederode.
Wouter en Catharina waren buitenechtelijke kinderen van Willem van Leijden en worden dusdanig in 1340 vermeld.
De broer van de Leidse burggraaf, heer Willem van Leyden,
koopt in de omgeving van Zevenhuizen 31/7 morgen land van Dirc van Zevenhuizen, waaraan hij op 28 maart 1326 zijn tweede echtgenote tocht. Als zijn eerste wordt op 16 juni 1309 de weduwe van heer Dirk van der Doortoghe vermeld. Het Teylingse leen is voor 26 september 1328, wanneer de vrouwe van Teylinghen, Catharina de Duybuy, sterft, in handen van Floris Danielszn gekomen, die het in 1329 met ledige hand verzoekt.
Op 16 juli 1331 nog vermeld, overl. vóór 4 dec. 1332.
1 kind(eren)
-
Simon van Markenburgh
, † 1331 (verongelukt) .
Simon van Markenburg, heer van Markenburg, baljuw van Zuidholland (1306-1310), ridder (1306), vermeld 1305-1317.
Zijn belangrijkste bijdrage aan de Heerlijkheid Putten was de bedijking van de polder Simonshaven, die naar hem is genoemd.
Nicolaas, heer van Putten en Strijen, oorkondt op 27 januari 1305 dat hij zijn broer, heer Simon, een gebied ten Zeeuws recht heeft gegeven om te bedijken vallende drie jaar na de bedijking onder de gebruikelijke leenverplichtingen; tevens mag heer Simon een molen in Biervliet zetten.
In de kroniek van Willem Procurator komt het volgende relaas voor:
‘In het zelfde jaar (1331) was er een ridder in Zeeland, Symon van Markenburgh geheten, die op een dag van zijn huis wegreed met een wagen en midden tijdens de tocht bij een waterpassage kwam en zijn paarden dwars waren, snauwde hij zijn dienaar toe en riep dat hij de paarden in naam van de duivel in beweging moest zetten. En toen zij zonder inspanning overstaken verscheen er meteen een windhoos, die kwade geesten in de vorm van
vogels liet zien. De dienaar met de paarden bleef behouden, maar de ridder werd uit de wagen geslingerd. Zijn lijk werd terstond gevonden maar het stonk verschrikkelijk. Met dezelfde wagen werd hij naar de herberg teruggebracht; zijn lans, die hij uit gewoonte altijd met zich meedroeg, was gebroken. De punt van de lans werd in zijn lichaam teruggevonden, terwijl zijn kleding – naar men zegt – ongeschonden was. Deze zaken hebben wij kort aangeroerd, opdat wij de onderdrukkers der armen althans een beetje vrees inboezemen’.